Samen
naar beter
In 2024 gaan, na Olen en Laakdal, nog eens 12 lokale besturen aan de slag met klimaatacties in hun gemeente. Burgers trekken ook zelf de kar. Werken aan het klimaat is een oefening in twee richtingen, weten Klimaatmakers-coördinator IOK en Avansa, dat het voortraject begeleidde. We vroegen IOK-directeur Kris Vreys, medewerker klimaatteam Ellen Leys van IOK en onze eigen Janna Janssens hoe zij het zaadje graag zien ontkiemen.
De pilootprojecten van Klimaatmakers smaakten blijkbaar naar meer. Hoe hebben de deelnemende besturen dit eerste ‘experiment’ ervaren?

Ellen Leys: “Heel positief in het algemeen! Schepenen en gemeentemedewerkers reageerden erg enthousiast. Ze vertelden dat het project hen veel energie had gegeven. En dat ze als burger niet zouden twijfelen om mee te doen (lacht). In het begin was het blijkbaar wel wat wennen om de touwtjes uit handen te geven. Maar uiteindelijk leverden de gesprekssessies veel toffe, nieuwe ideeën op of creëerden ze draagvlak voor reeds geplande acties.”
Janna Janssens: “Onder de Klimaatmakers zelf hebben zich hechte groepjes gevormd, die intussen hun weg naar het beleid hebben gevonden. Een aantal van hen komen nog altijd samen en er blijven nieuwe initiatieven ontspruiten. Bijna drie jaar na de opstart leeft het project nog altijd. Dat is heel fijn om te horen. Nu we de begeleiding vanuit Avansa overdragen, kijken we met fierheid terug. Voor ons is dit een heel mooi referentieproject van hoe participatie vorm kan krijgen.”
Klimaatmakers kadert in het streekproject Kempen2030, dat van de Kempen een klimaatvriendelijke(re) regio wil maken. Welke rol krijgt participatie hierin?
Kris Vreys: “Goed tien jaar geleden spraken de Kempense gemeenten in de Burgemeestersconvenant een grote klimaatambitie uit. Met een bijzonder wervend effect: het jongste decennium is de klimaatgedachte bij lokale besturen stevig geïnjecteerd. Tegelijk groeide het besef dat dit absoluut ook een verhaal van burgers moest worden. Nu het middenveld en het traditionele verenigingsleven onder druk staan, treden lokale besturen naar voor als een robuuste actor om inwoners te engageren. Lokale besturen tonen daarbij steeds meer lef en zelfvertrouwen om los te laten en participatie toe te laten.”
Janna: “Het klimaat is ook een vruchtbaar thema om de sociale component in het beleid te vergroten: het gaat iedereen aan. En het ligt net iets minder persoonlijk dan die kapotte stoeptegel voor de deur.”
Er blijft een spanningsveld bestaan tussen bestuur en geëngageerde burgers. Welke ervaringen nemen jullie mee uit de pilootprojecten om dit te overbruggen?

Ellen: “Tijdens de werksessies hebben we eerst de verwachtingen van bestuur en burgers heel goed proberen te matchen. Het uitgangspunt: alle meningen en ideeën zijn zinvol, al kunnen ze niet allemaal gehonoreerd of uitgevoerd worden. De nadruk lag op luisterbereidheid, nieuwe manieren van samenwerking en cocreatie. Doorheen het traject is het begrip tussen beide partijen gegroeid: bestuurders leerden welke meerwaarde participatie kan hebben voor een beleid, en burgers hoe complex de spreidstand soms is voor een lokaal bestuur.”
Janna: “Samen met de besturen hebben we in het voortraject duidelijke doelen gesteld, niet alleen op vlak van acties of publieksbereik, maar ook over de participatievorm. Toch geeft het soms kortsluiting als burgers op de proppen komen met acties die niet in het meerjarenplan zijn opgenomen. Als externe begeleider houden we de dialoog zoveel mogelijk open. We zitten met alle partijen samen aan tafel. Iedereen denkt mee na over ideeën en mogelijke acties. Ook de taken voor het uitvoeren van een idee of actie worden verdeeld onder burgers en bestuur. Een zekere ‘nee’ wordt daardoor af en toe een nieuwsgierige ‘ja’. Dat op zich is al een succes.”
In 2020 zijn jullie door corona noodgedwongen digitaal opgestart. Welk effect heeft dat gehad op het publieksbereik?
Ellen: “Onverhoopt positief eigenlijk. Achteraf vermoeden we dat we met die digitale aanpak juist méér mensen hebben bereikt. Deelnemers konden van thuis uit instappen. Vaak deden ze dat los van een vereniging of bestaand netwerk. Aanvankelijk hebben we in elke gemeente zo’n 80 inwoners bereikt. Daarvan zijn er telkens een 30-tal mensen actief Klimaatmaker geworden. Dat is een mooi resultaat al zouden we de basis graag nog wat breder houden. Een hybride aanpak, met zowel digitale als fysieke ontmoetingsmomenten, kan daarbij helpen. Daarom werken we momenteel aan een digitaal platform voor Klimaatmakers.”
Kris: “De digitale wereld biedt natuurlijk enorm krachtige tools om een veelheid aan meningen te bevragen. Belangrijk is dat we kritisch blijven voor onszelf: hoe bereiken we met dit soort projecten ook Jan-in-de-straat en niet enkel de georganiseerde, mondige burger? De deur moet open blijven voor inwoners die misschien wat minder politiek-minded zijn, maar wel zin hebben om actief iets te ondernemen in hun gemeente.”
Welke concrete projecten uit de eerste fase blijven je bij?

Janna: “In Laakdal wordt vandaag het idee concreet van een samentuin en een voedselbos. Onder meer dankzij een geëngageerde inwoner liggen er nu zonnepanelen op alle gemeentelijke daken. Op initiatief van een burger in Olen werden zaadbommen uitgestrooid in samenwerking met alle scholen. Er is ook een groepje Klimaatmakers ontstaan dat de inwoners van Olen tracht te sensibiliseren. Al enkele jaren verzorgen zij maandelijks een duurzaamheidsrubriek in het gemeenteblad in samenwerking met de dienst communicatie.”
Ellen: “De focus van Klimaatmakers blijft heel actiegericht. Het is belangrijk om op de korte termijn dingen te doen bewegen. Op het eind van het traject is het de bedoeling dat minstens 3 ideeën zijn scherpgesteld.”
Kris: “Tastbare doelstellingen – een extra boom per inwoner, x-aantal laadpalen of vierkante meter ontharding in de gemeente – spreken veel meer tot de verbeelding dan abstracte indicatoren rond CO2-reductie. De acties van de Klimaatmakers zullen de boel niet redden. Daarvoor zijn op hoger niveau ingrijpende beslissingen nodig. Maar op lokaal vlak zijn sprekende initiatieven die burgers bewust maken veel zinvoller dan cijferfetisjisme.”
Hoe belangrijk is de Kempense insteek in het project?
Ellen: “Het aspect ‘samen’ heeft toch een belangrijke meerwaarde. De 12 nieuwe gemeenten staan heel verschillend aan de startlijn. Sommige zijn al goed bekend met participatietrajecten, andere zetten nog maar hun eerste stappen. Die diversiteit maakt het boeiend. Gemeenten kunnen meekijken met elkaar, ervaringen uitwisselen en van elkaar leren.”
Kris: “Het lokale belang zit voor een groot stuk in de (her)opbouw van onze gemeenschappen. Veel van de voelsprieten in onze samenleving zijn aangetast. Je kunt ze alleen herstellen aan de basis, in de lokale gemeenschappen. Het intergemeentelijke niveau werkt vooral motiverend. Het geeft zoveel meer moed en fierheid als je je inschrijft in een gedeeld, Kempisch programma. Wat kunnen en willen we samen doen voor een duurzame Kempen?”
